Select Page

Een historisch beeld van de vrouw

Personae Miserabilis  

Een historisch beeld van de vrouw.

Haar rol in de wereld en binnen huwelijk en gezin
 

In de negentiende eeuw bestonden vele ideeën over de positie van de vrouw, over haar rol in het leven en binnen het huwelijk en gezin. Wanneer wij kijken naar deze ideeën over de vrouw zien wij vooral dat de vrouw werd gezien als een zwak wezen, zowel fysiek als geestelijk. Haar schoonheid, welke als een ontwikkelingsstoornis werd gezien, de vrouw gelijk stelde aan een kind en haar plaatste tussen man en dier in, vormde een aanvulling op de kracht van de man, zij was niet de gelijke van de man maar zijn gezellin. En haar voornaamste doel in het leven is ten gunste van de reproduktie: het in stand houden van de soort. De verheerlijking van het moederschap, welke in de Patriottische tijd al sterk was, werd in de loop van de negentiende eeuw steeds groter.

Dit werd als het hoogst bereikbare ideaal voor een vrouw gezien. Door middel van de opvoeding en in literatuur werd de vrouw geleerd wat haar positie was in de wereld en werden haar normen en waarden bijgebracht om haar taak binnenshuis te accepteren: bescheidenheid, passiviteit en terughoudendheid.

De buitenwereld was voor de man, de binnenwereld, het gezin, was het terrein van de vrouw en de bedoeling was dat zij zich zo snel mogelijk aan haar voornaamste taak ging wijden, namelijk het huwelijk en moederschap.

Een van de belangrijkste vragen in dit onderzoek is waarom (gehuwde) vrouwen nauwelijks of geen toegang hadden tot het openbare leven, tot het burgerschap en de politieke vrijheden. Het terrein van de politiek werd gezien als een mannen terrein. Een terrein waar de vrouw geen toegang had omdat zij de orde zou hinderen en onbeheersbaar zou worden wanneer zij politieke rechten had.

James Mill, een 19de eeuwse schrijver en vader van John Stuart Mill, stelde in 1820 dat de vrouw geen stemrecht nodig heeft omdat het belang van de vrouw (en van het kind) deel uit maakt van het belang van de man.

De gehuwde vrouw werd gezien als een tweederangs wezen en wellicht als een tweederangs burger, zij was een onmondig wezen.
Zij kon ook wel gezien worden als de niet-bestaande burger, een relatief wezen welke alleen bestond als dochter, echtgenote, moeder en zuster en alleen via de man (als echtgenoot, vader of voogd), het enige rechtssubject, bepaald werd. Alleen de man bewoog tussen gezin en staat.

Moederschap het hoogst bereikbare ideaal
We hebben gezien dat het moederschap voor de vrouw het hoogst bereikbare ideaal was en tot ver in de negentiende eeuw bleef de gedachte overeind dat het huwelijk het gunstigste middel was voor een goed seksueel gedrag: voor het verkrijgen van wettige kinderen. Ook de achttiende-eeuwse filosoof Kant (1724-1804) en negentiende-eeuwse filosoof Hegel (1770-1831) zien het gezin als de waarborg van de natuurlijke zedelijkheid en binnen het huwelijk gehoorzaamde de vrouw de man

Een filosoof uit hartstocht die dicht bij Kant’s ideeën stond, legde grote nadruk op de afhankelijkheid van de vrouw. Het argument voor deze leidinggevende rol van de man binnen het gezin kwam voort uit het idee dat er binnen het gezin geen twee personen kunnen zijn met gelijke zeggenschap net zoals er geen twee kapiteins op een boot zijn. De vrouw is aan de bescherming van de man onderworpen omdat zij gezien werd als een zwak wezen. Geen twee personen met gelijke zeggenschap binnen het gezin en zwakte van de vrouw vormen dus de legitimatie van de ondergeschiktheid van de vrouw binnen het huwelijk.

 

Hoe dacht men over de scheiding van de twee werelden, van privé en openbaar, van een vrouwenwereld en een mannenwereld? Hegel stelt dat de openbare ruimte zich richt op autonomie, algemene activiteit, de staat, wetenschap en werk, waar de man zijn werkelijke en inhoudelijke leven vindt en zich dagelijks moet meten met de buitenwereld en, nog belangrijker, met zichzelf. De privé ruimte richt zich op concrete individualiteit, passiviteit, gezin en vorming van het moraal en dit is waar de vrouw haar lotsbestemming vond: binnen het gezin als hoeksteen van de samenlevings het hoofd van het gezin en de vrouw heeft zich door het huwelijk vrijwillig aan zijn leiding en bescherming onderworpen.

De “heilzame” afsluiting van vrouwen uit het sociale en politieke levenAuguste Comte (1798-1857), de belangrijkste vertegenwoordiger van het positivisme, verdediger van het huwelijk en een voorstander van de “heilzame” afsluiting van vrouwen uit het sociale en politieke leven, verbood vrouwen om zich überhaupt met het openbare leven te bemoeien, zij konden alleen via de man deelnemen aan deze wereld.

De ideeën van deze, hier boven besproken, schrijvers en filosofen komen overeen met het algemene beeld dat toen heerste: de vrouw als zwak wezen, welke onder de man stond en hem absolute gehoorzaamheid verschuldigd was terwijl de man haar beschermen moest. Binnen de scheiding tussen privé en openbaar, welke steeds duidelijker werd in de negentiende eeuw, waren de taken verdeeld op grond van sekse en het daarbij horend beeld over man en vrouw. De buitenwereld was voor de man, de binnenwereld voor de vrouw, de man vormde de schakel tussen de twee werelden, alleen hij bewoog in beide. Deze positie bracht de vrouw in een afhankelijkheidssituatie ten opzichte van hem.

Het recht, arbeid en onderwijs
Nog vóór de Romeinse tijd werden vrouwen als onmondigen gezien die onder bescherming geplaatst waren van een voogd, dit was de vader, de oudste broer of de echtgenoot. Ook het Romeinse recht plaatste de vrouw onder voogdij van de man, alleen was de handelingsonbekwaamheid van de vrouw nagenoeg verdwenen. Na de Romeinse tijd bleef de getrouwde vrouw een onmondig wezen en onder de macht van de man. Deze voogdij werd gezien als natuurlijk en nuttig. In 1810 werd de Napoleontische Code Civil ingevoerd die specifiek stelde dat de man zijn vrouw bescherming verschuldigd was en de vrouw haar man gehoorzaamheid. Het Burgerlijk Wetboek van 1838 werd gebaseerd op de Code Civil en was gedurende de 19de eeuw van toepassing.

De Code Civil legde de volstrekte superioriteit van de echtgenoot in het huishouden en van de vader in het gezin vast, de Code Civil legde ook het absolute onvermogen van de vrouw en moeder vast. Een ongetrouwde meerderjarige en handelingsbekwame vrouw was een individu en viel dan onder het persoonsrecht, eenmaal getrouwd viel zij onder het huwelijksrecht en was zij handelingsonbekwaam, een personae miserabile. (De dorstende vrije vrouw tegenover de getemde getrouwde vrouw) Zij nam de nationaliteit van haar echtgenoot aan, zij was niet langer een verantwoordelijk wezen en viel onder een aantal regels: zij kon geen voogd zijn, geen zitting hebben in een familieraad, geen getuige zijn bij het opmaken van akten, zij moest wonen waar de man dit wilde en als zij de echtelijke woning verliet kon zij door haar echtgenoot terug gehaald worden. Naast de bescherming en gehoorzaamheid waren er ook nog rechten met betrekking tot de voortplanting en het kind: binnen het huwelijk kon de man de vrouw dwingen, eventueel met geweld, tot de geslachtsdaad. Maar het mocht geen verkrachting zijn of gepaard gaan met ernstig geweld.

Genegenheid buiten het huwelijk werd zwaar gestraft omdat dit slecht zou zijn voor het bloed binnen het gezin. De man kon hier toezicht op houden en had het recht om bijvoorbeeld brieven e.d. te onderscheppen. Ontrouw van de vrouw kon met weinig middelen al bewezen worden terwijl de ontrouw van de man pas bewezen kan worden wanneer hij op heterdaad wordt betrapt. Aan de man kwamen alle rechten op het kind toe. Hij was de eigenaar van het kind en bepaalde waar en hoe het kind leefde. Ook buitenechtelijke kinderen vielen onder het gezag van de man. Kortom het recht is voor een groot gedeelte in overeenstemming met de bestaande ideeën. Het recht plaatste de vrouw in haar “voorbestemde” positie: thuis en gehoorzaam aan de man.

Arbeid
Vrouwen werden niet uitgesloten van arbeid maar er waren wel vele regels en bepalingen die er voor zorgden dat vrouwen nauwelijks konden werken. Deze beperkingen werden vaak opgelegd in naam van de bescherming van het gezin. Men zag de vrouw liever niet werken, Jules Simon, een Franse wetgever zegt in 1806 bijvoorbeeld:

 

“….een vrouw die gaat werken [is] niet langer een vrouw” en Mina Kruseman, een belangrijke voorvechtster binnen het feminisme samen met Wilhelmina Drucker en Aletta Jacobs, schreef over de bestaande ideeën van de werkende vrouw het volgende stukje in een gedicht:

“…de arbeid verlaagt haar. Het talent onteert haar. Zij moet wel niets zijn om iets te zijn…”

De vrouw hoorde in het gezin
De vrouw hoorde in het gezin, daar waar zij het huishouden en de verzorging van kinderen en echtgenoot op zich moest nemen. Haar taak was om het familieleven en de huiselijke belangen te bevorderen. Zij hoorde bij kerk, keuken en kinderen. Zowel in de pre-industriële als industriële periode werkten vele vrouwen, meestal jong en ongehuwd. Zij werkten op vele terreinen zoals verkoopster, kindermeisje en wasvrouw. Kinderen werden vaak bij een min of verzorgster ondergebracht. In liberale staten bemoeide de staat zich zo weinig mogelijk met de relaties tussen werkgevers en werknemers en pas vanaf 1870 werden er maatregelen genomen ter bescherming van de kinderen en vrouw. Deze maatregelen hadden slechts betrekking op een klein gedeelte van de werkende vrouwen, de vrouwen die werkten in de landbouw en huisindustrie vielen hier buiten, de eerste omdat de vrouw in de landbouw een noodzakelijke schakel was en de tweede omdat huisindustrie moeilijk te controleren was. Naast de hier boven genoemde redenen om de vrouw uit te sluiten van arbeid (taak binnen het gezin) waren de wetgevers ook van mening dat de vrouw kwetsbaar en zwak was en zij niet zo lang kon en mocht werken als de man. Men stelde dat dit de voortplantingsorganen zou beschadigen en bovendien waren er sexuele risico?s bij het werken tussen mannen en zeker ?s nachts. Tot een compleet verbod op vrouwenarbeid kwam men niet omdat men wel inzag dat het voor vele huishoudens noodzakelijk was om een tweede inkomen te hebben en men was ook bang dat de vrouwen massaal over zouden gaan tot huisarbeid welke weer niet te controleren viel.

Naast de wetten en regels was er nog een arbeids belemmerende factor: de arbeidsdeling naar sekse. Vrouwen werkten niet op alle terreinen. Men maakte onderscheid in zogenaamde vrouwen- en mannenwerk. Vrouwenwerk waren taken die fijne, vlugge vingers, geduld en uithoudingsvermogen nodig hadden (textiel, kleding, schoeisel, tabak, voedsel en leer). Mannenwerk werd verbonden met spierkracht en vaardigheid (mijnbouw, hout en metalen). Het was heel gewoon voor werkgevers om, wanneer er een vacature was, niet alleen een gewenste leeftijd en ervaringsniveau op te geven maar ook het geslacht. Wanneer een werkgever geen vrouwen (of geen mannen) in dienst wilde dan gebeurde dit ook niet, zo kwamen er specifieke arbeidsplaatsen voor vrouwen met specifieke lonen, vrouwenwerk verdiende minder dan mannenwerk.

Onderwijs

“Het is niet onnodig uit te weiden over de noodzakelijkheid om binnen deze gemeente, evenals elders, scholen voor middelbaar onderwijs voor meisjes op te richten. Het geldt hier niet om geleerde vrouwen te vormen, maar zodanigen, die later door de opvoeding van haar kinderen geroepen wordende moderne maatschappij te helpen vestigen en handhaven…..”

Een citaat uit een vergadering van de Amsterdamse gemeenteraad ergens aan het einde van de negentiende eeuw. Ook op het terrein van het onderwijs bleven de ideeën over de positie van de vrouw doorspelen. Omdat de voornaamste taak van de vrouw lag binnen het gezin en moederschap was er geen behoefte aan een zelfde opleiding als die van mannen. Er was geen noodzaak om vrouwen een concurrerende positie op de arbeidsmarkt te geven door hun onwetendheid te verminderen door middel van onderwijs. Het onderwijs dat meisjes kregen was dan ook anders en vaak ook slechter dan dat van jongens.

In 1861 richtte Betsy Perk een organisatie op die de “arbeidszin” onder vrouwen moest opwekken. Dit was de Algemene Nederlandse Vereniging Arbeid Adelt. Naast het door middel van tentoonstellingen van vrouwelijke nijverheid en kunst de arbeidszin opwekken en vrouwen die wilden werken daartoe gelegenheid geven, had deze organisatie ten doel industriescholen op te richten waar vakken gegeven zouden worden die de aanstaande vrouwen in staat stelden om in hun eigen onderhoud te voorzien. Ook wilde de organisatie onvermogende meisjes opleiden voor dat vak van nijverheid of kunst waartoe deze zich geroepen voelde. Er werden wel successen geboekt door deze organisatie en soortgelijke organisaties maar men bleef toch aan het idee hangen dat een werkende vrouw iets tijdelijks was, eenmaal getrouwd zou zij zich op haar ware taak richten.

De toelating van meisjes tot de middelbare school (een vereiste voor een universitaire studie) was een langere en moeilijkere strijd geweest dan de strijd voor het toelaten tot het hoger onderwijs. Dat de meisjes uiteindelijk toch toegelaten werden had niets te maken met het scheppen van een concurrentiepositie op de arbeidsmarkt, de middelbare school zou de meisjes tot nog betere huisvrouwen en moeders maken. De weg die Aletta Jacobs vrij had gemaakt voor de vrouwen om colleges te volgen aan de universiteit bleek geen weg zonder obstakels te zijn. De studentes hadden te maken met plagerijen van hoogleraren en professoren en ook van hun medestudenten.

Er was weinig steun te vinden en er was een grote mate van discipline nodig om door te gaan. Ook als docente hadden vrouwen het binnen het onderwijs moeilijk. Langzamerhand stroomden de vrouwen toe tot het onderwijs en het duurde nog geruime tijd (tot ver in de twintigste eeuw) voordat meisjes in het hoger onderwijs en vrouwelijke docenten volledig geaccepteerd werden.

De toelating tot het onderwijs was een belangrijke stap op weg naar emancipatie omdat het onderwijs de vrouwen opleidde voor werk dat lange tijd alleen voor mannen toegankelijk was geweest.

Bron: geschiedenis.nl

Schrijf je in voor SheNews. Kosteloos

Informatie, tips, nieuws en wetenswaardigheden voor professionele vrouwen.



You have Successfully Subscribed!